Koopvaardij WOI    
 
Welkom
 
Presentatie
 
Geschiedenis van de Marine
 
Marinezaal
 
Documentatiecentrum Marine

Maritieme toestand van België bij het begin van de Grote Oorlog

 

In 1914 bestond onze vloot uit:

-          114 motorschepen met een nuttig tonnage van meer dan 350, eigendom van een twintigtal private reders. Dit voor een totaal van 227.779 n.t. of 323.853 br.t.

-          11 zeilschpen voor de handel van meer dan 250 br.t. waaronder het schoolschip L’Avenir. Dit voor een total van 13.808 n.t. of 16.145 br.t.

-          10 mailboten van de Staat met een tonnage van 7.196 t.j.n. of 14.621 t.j.br.

-          De visserijwachtschepen van de Staat, de gemengde aviso Ville d’Anvers (1.061 t) en de schoener Ville d’Ostende (385t)

-          Het schoolschip Comte de Smet de Naeyer II (1.423 br.t. – 1.357 n.t.) van de Maritieme Belgische associatie – ASMAR, alsook de Ville de Bruges (545 t) van de school voor scheepsjongens ; deze laatste twee waren « stilliggend ».

 

In augustus 1914, bij de opmars van de Duitse troepen, verhuizen onze reders naar Londen om un core-business van daaruit verder te zetten. Omwille van de oorlogstoestand zullen de risico’s die hun schepen lopen zo groot blijken te zijn dat de (private) verzekeringsmaatschappijen ze niet meer konden dekken zonder uitzonderlijk hoge premies te vragen.

Geizen deze toestand richtten onze reders zich tot de Board of Trade in Londen; deze stelde hen voor de schepen onder Britse vlag te brengen teneinde op die manier van dezelfde voordelen te kunnen genieten als de Engelse schepen, indien ze zich zouden onderwerpen aan de regels opgelegd door de Admiraliteit. Dit voorstel werd aanvaard omdat ze niet alleen een verzekeringsdekking bezorgde maar bovendien onze reders de garantie gaf van de controle op het beheer van hun schepen.

 

Onze koopvaardij zou alzo ook kunnen genieten van deze voordelen en, in bijzonder mate, bijdragen tot de bevoorrading van het leger en de bevolking.

 

Na twee jaar oorlog en een analyse van de bloedende gevechten van Verdun (van 21 februari tot 19 december 1904) en de Somme (van 1 juli tot 18 november 1916) bevel Willem II “... op 1 februari de onderzeebootoorlog te beginnen zonder beperking, met de grootste energie…” met het doel 600.000 ton scheepslading tot zinken te brengen, meer dan hetgeen Engeland kon aanmaken. De toetreding van de Vernigde Staten tot de oorlog op 6 april 1917, met hun essentiële logistieke inbreng tot de oorlogsinspanning, zou de kaarten anders leggen.

Wat betreft de verliezen van Belgische zeelui is het vandaag jammer genoeg niet meer mogelijk het juiste aantal te bepalen omdat de archiefdocumenten ontbreken. Toch kan men redelijkerwijs het aantal verliezen van deze gemeenschap schatten op ongeveer 500. Dit lijkt weinig maar vaak kregen de bemanningen van de geënterde schepen de toelating over te stappen op hun reddingssloepen vooraleer het schip tot zinken werd gebracht.

 

Negenzestig Belgische koopvaardijschepen verdwenen tussen 1914 en 1919 voor een totaal van 182.837 br.t. . Onder hen, 6 die op een mijn liepen, 33 die werden getorpedeerd, 15 beschoten, tot zinken gebracht met springstof of gevangen genomen door de Duitsers, en 15 gingen verloren door fortuinen op zee of bij collaterale ongelukken te wijten aan de uitzonderlijke vaarcondities in oorlogstijd. Enkele anderen nog werden “opgeëist”, onder meer door de Russsiche Keizerlijke Marine en soms teruggegeven aan hun wettige eigenaar in 1919.

Dank zij het Verdrag van Versailles, verkregen onze reders een vijftigtal handelsschepen (Plan Dawes) als vergoeding voor oorlogsschade, hetgeen de wederopbouw van onze handelsvloot met een minimale kost mogelijk maakte tegen het einde van 1921.

© 2016 marine-mra-klm.be